Het boxenstelsel: drie werelden, drie tarieven
Sinds 2001 kent Nederland het zogeheten boxenstelsel. Het idee erachter is dat verschillende soorten inkomen op verschillende manieren worden belast. Uw inkomen uit werk wordt anders behandeld dan uw spaargeld of uw aandelen in een eigen BV. Dat klinkt eerlijk — en in veel opzichten is het dat ook — maar het maakt het belastingstelsel er niet eenvoudiger op.
Box 1: inkomen uit werk en woning
Verreweg de meeste Nederlanders hebben vooral te maken met box 1. Hier valt uw loon, uitkering, pensioen of winst uit onderneming onder. Ook het eigenwoningforfait en de hypotheekrenteaftrek worden in deze box verwerkt. Het tarief is progressief: de eerste schijf kent een tarief van circa 36,97%, de tweede schijf (boven €75.518) 49,50%.
Wat veel mensen niet weten, is dat ook freelance-inkomsten, inkomsten uit verhuur van kamers (boven de kamerverhuurvrijstelling) en bepaalde uitkeringen in box 1 vallen. Het is dus breder dan alleen uw maandelijkse salaris.
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang
Box 2 is relevant voor mensen die minimaal 5% van de aandelen in een BV bezitten. De winst die u uit deze BV onttrekt — als dividend of bij verkoop van aandelen — wordt belast in box 2. Het tarief is in 2024 gestaffeld: 24,5% over de eerste €67.000 en 33% over het meerdere.
Voor DGA's (directeur-grootaandeelhouders) is box 2 een belangrijke fiscale factor. Het verschil tussen loon uitkeren (box 1, tot 49,50%) en dividend uitkeren (box 2, 24,5-33%) is aanzienlijk. Uiteraard heeft de Belastingdienst regels om misbruik te voorkomen, zoals de gebruikelijkloonregeling.
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen
Box 3 is de meest bediscussieerde box. Hier wordt uw vermogen belast: spaargeld, beleggingen, tweede woningen, en andere bezittingen. De Belastingdienst gaat uit van een fictief rendement — u betaalt belasting over wat u had kunnen verdienen, niet over wat u werkelijk heeft verdiend.
Na het Kerstarrest van de Hoge Raad in 2021 is het systeem herzien. Sinds 2023 wordt gerekend met drie vermogenscategorieën: spaargeld (laag fictief rendement), beleggingen (hoger rendement) en schulden (aftrekbaar rendement). Het tarief is een vast percentage van 36% over het berekende fictieve rendement. Er geldt een heffingsvrij vermogen van circa €57.000 per persoon (€114.000 voor fiscale partners).
Veel spaarders ervaren box 3 als onrechtvaardig, vooral in periodes met lage spaarrente. De politiek werkt aan een stelsel op basis van werkelijk rendement, maar de invoering daarvan is al meerdere malen uitgesteld.
Wat valt in welke box?
De hoofdregel is: als het in box 1 of box 2 valt, dan niet in box 3. Box 3 is een soort restverzameling. Uw eigen woning valt in box 1, uw BV-aandelen in box 2, en uw spaargeld en beleggingsportefeuille in box 3. Een tweede woning die u verhuurt, valt doorgaans ook in box 3 — tenzij het verhuren zo intensief is dat het als onderneming kwalificeert.