Vermogensrendementsheffing: wat het is en waarom het bestaat
De vermogensrendementsheffing is de belasting die u betaalt over uw vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting. De naam zegt het al: het is een heffing op het rendement van uw vermogen. Het bijzondere is dat dit rendement lange tijd niet werkelijk werd gemeten, maar fictief werd vastgesteld door de wetgever. Dat systeem is na het Kerstarrest van 2021 aangepast, maar de grondbeginselen zijn hetzelfde gebleven.
De vermogensrendementsheffing is ingevoerd in 2001, als onderdeel van de grote belastingherziening. Vóór 2001 betaalden Nederlanders inkomstenbelasting over hun werkelijke vermogensinkomsten: rente, dividend, huurinkomsten. Dat systeem was eerlijk in theorie, maar onwerkbaar in de praktijk. Mensen gaven hun werkelijke vermogensinkomsten niet correct op, en de Belastingdienst kon het nauwelijks controleren.
De oplossing was radicaal: belast niet het werkelijke rendement, maar een fictief rendement. In 2001 was dat 4%, gebaseerd op het idee dat iedereen die spaart of belegt ten minste 4% rendement kan behalen. Over dat fictieve rendement betaalt u een vast tarief van 30% — effectief 1,2% van uw vermogen boven de vrijstelling.
Van fictief naar categorie-gebaseerd
Het systeem van 4% fictief rendement werkte jarenlang redelijk, omdat de werkelijke rendementen inderdaad rond of boven de 4% lagen. Maar toen de rente na de financiële crisis van 2008 kelderde naar bijna 0%, werd het systeem onhoudbaar. Spaarders die 0,1% rente ontvingen, betaalden belasting alsof ze 4% rendement hadden. Dat leidde tot duizenden bezwaarprocedures en uiteindelijk het Kerstarrest.
Het huidige overgangsstelsel verdeelt het vermogen in drie categorieën: banktegoeden (laag forfaitair rendement, circa 1,03%), beleggingen (hoog forfaitair rendement, circa 6,04%) en schulden (aftrek tegen het rentepercentage voor schulden). Het tarief is verhoogd naar 36%. Het idee: door per categorie een ander rendement te hanteren, sluit de heffing beter aan bij de werkelijkheid.
De berekening stap voor stap
De berekening van de vermogensrendementsheffing gaat als volgt:
Stap 1 — Tel al uw box 3-bezittingen op: banktegoeden, beleggingen (aandelen, obligaties, crypto), onroerend goed (behalve uw eigen woning), en overige bezittingen. Waardeer alles op 1 januari.
Stap 2 — Trek uw box 3-schulden af. Alleen het deel boven de drempel telt mee: circa €3.700 per persoon. Een schuld van €10.000 verlaagt uw grondslag dus met €6.300.
Stap 3 — Trek het heffingsvrije vermogen af: circa €57.684 per persoon.
Stap 4 — Bepaal het forfaitaire rendement per categorie. De Belastingdienst berekent een gewogen rendement op basis van de samenstelling van uw vermogen.
Stap 5 — Vermenigvuldig het forfaitaire rendement met 36%. Dat is uw verschuldigde vermogensrendementsheffing.
Rekenvoorbeeld uitgebreid
U heeft: €80.000 op de spaarrekening, €120.000 in aandelen, een schuld van €20.000. Totale bezittingen: €200.000. Schuld boven drempel: €20.000 - €3.700 = €16.300. Netto box 3-vermogen: €200.000 - €16.300 = €183.700. Min vrijstelling: €57.684. Grondslag: €126.016.
Nu de verdeling. Spaargeld is 40% van de bezittingen, beleggingen 60%. Het gewogen forfaitaire rendement: 40% × 1,03% + 60% × 6,04% = 0,41% + 3,62% = 4,03%. Forfaitair rendement over de grondslag: €126.016 × 4,03% = €5.078. Belasting: 36% × €5.078 = €1.828 per jaar.
In werkelijkheid heeft u misschien €800 spaarrente ontvangen en €7.200 koerswinst op uw aandelen — een totaal werkelijk rendement van €8.000. Het forfaitaire rendement van €5.078 is lager dan het werkelijke. In dit geval is het forfaitaire systeem in uw voordeel. Maar als uw aandelen 3% verlies hadden gemaakt, zou het forfait hoger zijn dan het werkelijke rendement, en betaalt u te veel.
Peildatum en waardering
De peildatum is 1 januari van het belastingjaar. Al uw bezittingen worden gewaardeerd op die datum. Voor banktegoeden is dat eenvoudig: het saldo op 1 januari. Voor beursgenoteerde beleggingen: de slotkoers op 31 december (of de eerste beursdag van het nieuwe jaar). Voor onroerend goed: de WOZ-waarde.
Niet-beursgenoteerde bezittingen — zoals een belang in een niet-beursgenoteerd bedrijf, kunst of antiek — moeten op waarde in het economisch verkeer worden gewaardeerd. Dat kan lastig zijn. Een taxatie kan nodig zijn, en de Belastingdienst kan uw waardering betwisten.
Het Kerstarrest en de compensatie
Op 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad dat de vermogensrendementsheffing over 2017 en 2018 in strijd was met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod uit het EVRM. De reden: het fictieve rendement van 4% was veel hoger dan wat spaarders werkelijk verdienden, en het systeem maakte onvoldoende onderscheid tussen spaarders en beleggers.
De gevolgen waren enorm. Miljoenen aanslagen moesten worden herzien. De Belastingdienst ontwikkelde een 'rechtsherstel' dat het forfaitaire rendement met terugwerkende kracht verlaagde voor spaarders. Wie bezwaar had gemaakt over de jaren 2017-2022, kwam in aanmerking voor compensatie. Wie geen bezwaar had gemaakt, viel buiten de boot — een pijnlijk gevolg dat leidde tot extra Kamervragen en politieke druk.
Het toekomstige stelsel
Het kabinet werkt aan een definitief nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement. De contouren: u betaalt belasting over het rendement dat u daadwerkelijk heeft behaald. Rente, dividend, huurinkomsten en gerealiseerde koerswinst worden belast. Ongerealiseerde koerswinst — de waardestijging van aandelen die u niet heeft verkocht — is nog een discussiepunt.
De invoering is herhaaldelijk uitgesteld. Oorspronkelijk gepland voor 2026, nu verwacht in 2027 of later. De uitvoerbaarheid is het grootste obstakel: de Belastingdienst moet enorme hoeveelheden gegevens verzamelen en verwerken. De ICT-systemen zijn daar nog niet klaar voor.
Tot die tijd geldt het overgangsstelsel met forfaitaire rendementen per categorie. Dat is niet perfect, maar het is een stuk eerlijker dan het oude systeem van 4% uniform rendement. En de meeste belastingexperts verwachten dat het definitieve stelsel — wanneer het er ook komt — een verbetering zal zijn voor zowel spaarders als beleggers die in jaren van verlies geen belasting willen betalen over fictieve winst.