Hoe werkt box 3 in 2026?
Box 3 belast uw vermogen: spaargeld, beleggingen, een tweede woning, en overige bezittingen minus schulden. Na het baanbrekende Kerstarrest van de Hoge Raad in december 2021 is het box 3-stelsel ingrijpend gewijzigd. Het oude systeem — dat een fictief rendement oplegde ongeacht het werkelijke rendement — is vervangen door een systeem dat beter aansluit bij de werkelijkheid. Maar 'beter' is niet 'perfect', en er zijn nog steeds valkuilen.
Drie vermogenscategorieën
Het box 3-stelsel onderscheidt drie categorieën. Banktegoeden (spaarrekeningen, deposito's) worden belast tegen het werkelijke gemiddelde spaarrentepercentage — in 2026 circa 1,03%. Overige bezittingen (aandelen, obligaties, vastgoed, crypto) worden belast tegen een forfaitair rendement van circa 6,04%. Schulden (behalve de eigenwoningschuld) verlagen uw grondslag, waarbij het forfaitaire rentepercentage voor schulden circa 2,47% bedraagt. Het belastingtarief over het berekende rendement is een vast percentage van 36%.
Vrijstelling en heffingsvrij vermogen
Per persoon is €57.684 vrijgesteld in box 3. Fiscaal partners hebben samen €115.368 vrijstelling. Pas boven deze grens betaalt u vermogensbelasting. Bij de verdeling van de vrijstelling over de categorieën wordt eerst het spaardeel vrijgesteld, dan de overige bezittingen. Heeft u minder vermogen dan de vrijstelling? Dan betaalt u niets in box 3. Heeft u €200.000 waarvan €100.000 spaargeld en €100.000 aandelen? Dan is de eerste €57.684 vrijgesteld en betaalt u over €142.316.
Berekening: hoeveel belasting betaalt u?
Een voorbeeld. U heeft op 1 januari 2026: €80.000 spaargeld en €120.000 in beleggingen. Totaal: €200.000. Na aftrek vrijstelling (€57.684) is de grondslag €142.316. Het rendement wordt gewogen berekend: het spaardeel (€80.000/€200.000 = 40%) krijgt het spaarrendement (1,03%) en het beleggingsdeel (60%) het forfaitair rendement (6,04%). Gewogen rendement: 40% × 1,03% + 60% × 6,04% = 4,04%. Belastbaar rendement: 4,04% × €142.316 = €5.750. Belasting: 36% × €5.750 = €2.070.
Peildatum: 1 januari is beslissend
Uw vermogen op 1 januari bepaalt uw box 3-belasting voor het hele jaar. Wat u daarna doet — alles uitgeven, alles verliezen op de beurs — maakt niet uit voor dat belastingjaar. Dit leidt tot strategisch gedrag rond de jaarwisseling: grote aankopen doen vóór 1 januari, extra aflossen op de hypotheek, of spaargeld tijdelijk parkeren in een pensioenproduct. De Belastingdienst is zich hiervan bewust maar kan er weinig tegen doen zolang het legaal is.
Welke bezittingen tellen mee?
In box 3 vallen: spaarrekeningen en deposito's, aandelen en obligaties, beleggingsfondsen, cryptovaluta (Bitcoin, Ethereum, etc.), een tweede woning of vakantiewoning, vorderingen, contant geld boven een redelijk bedrag, en de waarde van een niet-vrijgestelde kapitaalverzekering. Niet in box 3: uw eigen woning (box 1), pensioenrechten, lijfrenten, kunst en antiek beneden een bepaalde waarde, en groene beleggingen (tot €65.072 vrijgesteld).
Schulden aftrekken in box 3
Schulden verlagen uw grondslag in box 3, maar er geldt een drempel van €3.700 per persoon (€7.400 voor partners). Alleen het deel boven deze drempel telt mee. Studieschulden bij DUO tellen wél mee als aftrekbare schuld. Consumptief krediet, een doorlopend krediet, en de restschuld na verkoop van een woning ook. De hypotheek op uw eigen woning telt niet mee — die zit in box 1.
Tips om box 3-belasting te verlagen
Legale strategieën om minder vermogensbelasting te betalen: maximaal gebruikmaken van de vrijstelling door vermogen te verdelen over fiscaal partners, grote aankopen doen vóór 1 januari, extra aflossen op uw hypotheek (verlaagt box 3 maar verhoogt eigenwoningforfait), beleggen in groene fondsen (extra vrijstelling), spaargeld omzetten naar een lijfrenteproduct (gaat naar box 1), en schenken aan kinderen (binnen de vrijstelling). Elk van deze strategieën heeft voor- en nadelen die afgewogen moeten worden.
Bezwaar maken tegen box 3: massaal bezwaar
Sinds het Kerstarrest lopen er massale bezwaarprocedures tegen box 3. Als u vindt dat uw werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kunt u bezwaar maken. De Belastingdienst wijst standaard bezwaren af, maar de Hoge Raad heeft bepaald dat belastingplichtigen recht hebben op belasting op basis van het werkelijke rendement als dat lager is. Bewaar uw jaaroverzichten van banken en brokers als bewijs.